De romantisering van de gulden en de waarheid achter de goudstandaard
Door Olav | 28 maart 2012
De romantisering van de gulden neemt met de crisis in de eurozone verbijsterende vormen aan. De euro heeft grote nadelen en grote voordelen ten opzichte van de gulden, maar het huidige verlangen naar de gulden is ronduit misplaatst. Het enige alternatief is een goudstandaard. Het is onfortuinlijk dat er zoveel onbegrip over de goudstandaard bestaat en dat men in het duister tast over de ware redenen van het einde van dit “barbaars relikwie” als algemeen ruilmiddel.
De euro als proxy van de goudstandaard
De euro werkt binnen de eurozone als proxy van de goudstandaard. Dit betekent dat regeringen niet zomaar hun valuta kunnen devalueren om structurele problemen te verhullen. Wanneer een economie niet concurrerend is vanwege een karrenvracht aan overheidsinterventie is dat duidelijk voor iedereen ter wereld. De euro dwingt landen om noodzakelijke hervormingen door te voeren in plaats van simpelweg geld te drukken.
Geen “Hollandse” ziekte
Een ander voordeel is dat een stijging of daling in de buitenlandse vraag naar een bepaald goed in een land geen negatieve effecten heeft op ongerelateerde industrieën. Dit is wel het geval met de gulden. Dit fenomeen—dat ironisch genoeg de Hollandse ziekte (“Dutch Disease“) genoemd wordt—vindt zijn oorsprong in het monetair nationalisme wat de zo begeerde gulden kenmerkte.
De Hollandse ziekte verklaart—in een systeem van zwevende valuta en monetair nationalisme—dat wanneer als gevolg van de verkoop van pas ontdekte grondstoffen de waarde van een munt stijgt, deze waardestijging resulteert in een verslechtering van de concurrentiepositie van het land of, beter gezegd, de monetaire unie. Dit fenomeen ontstaat echter bij elke geconcentreerde toename in vraag vanuit het buitenland of, in andere woorden, een instroom van kapitaal in één bepaalde sector. Het is absoluut geen vereiste—zoals veel economen denken—dat er daadwerkelijk een grondstof ontdekt dient te worden. Het is wel een vereiste dat de wisselkoersen tussen valuta variabel zijn.
De ontwerpfout van de Euro
Het grote nadeel van de euro is dat er een ontwerpfout in het systeem zit. Alle lidstaten kunnen roekeloos financieel beleid “externaliseren” en uitsmeren over de gehele eurozone. Elke overheid wiens staatsobligaties worden geaccepteerd door de Europese Centrale Bank (ECB) als onderpand kan indirect de geldpers gebruiken om zijn uitgaven te financieren. Elke overheid heeft daarom het incentive om meer schulden te maken dan de rest van de eurozone. Het belang van automatische sancties bij overtreding van de Europese begrotingsregels is daarom evident. Weinig landen hadden echter de politieke wil om een dergelijk verdrag te bekrachtigen. Hét instrument om deze ontwerpfout inherent aan de euro te repareren blijft daarom zonder tanden.
Het redden van “probleemlanden”
Het feit dat er met miljarden aan staatssteun getracht wordt om probleemlanden te redden is niet inherent aan de euro of een monetaire unie. Nog steeds lijkt iedereen de optie uit te sluiten dat een land niet langer haar schuld betaalt én in de euro blijft, maar het fiscaal overeind houden van andere landen is geenszins een vereiste in een monetaire unie. Het probleem in deze is dat Europese politici vooral aan de korte termijn denken en daarom ervoor kozen, bang voor verergering van de bankencrisis en de gevolgen voor het fragiele pensioenstelsel, om de posities van onder andere de Duitse en Franse banken te beschermen zodat deze hun posities in de staatsobligaties van probleemlanden niet hoefden af te schrijven. De geldkraan voor landen als Griekenland en Portugal werd opengezet zonder enige achting voor de consequenties op langere termijn: een situatie waarvoor ik eerder de term “Mexican standoff” gebruikte. Elke keer wanneer Europa bezuinigingen en hervormingen tracht af te dwingen, maken probleemlanden loze beloften of dreigen met faillissement.
De misplaatste heimwee naar de gulden
Veel mensen bekritiseren de euro vanwege zijn daling in koopkracht, ook ten opzichte van de gulden toen deze nog bestond. Dit is een naïeve analyse van oorzaak en gevolg. Het feit dat een euro vandaag minder koopt betekent niet dat de gulden een walhalla van prijsstabiliteit was.
Tussen 1900 en 2000 verloor de gulden liefst 95% van zijn koopkracht. Een gulden in 2000 was nog maar een stuiver waard ten opzichte van een gulden in 1900. Tussen 1970 en 1980, in amper tien jaar tijd, werd de gulden 50% minder waard. Kortom, er zit geen enkel wezenlijk verschil tussen de gulden en de euro als we het hebben over hun constante devaluatie.
De wens om terug te keren naar de gulden is enkel en alleen een attributiefout die voortkomt uit een misvatting over oorzaak en gevolg. Het melancholisch verlangen naar de gulden vanwege zijn prijsstabiliteit staat gelijk aan het hebben van heimwee naar een ex-vriendin die vreemd ging vanwege haar vermeende monogamie. Net zoals er geen maagdelijke hoeren bestaan, is het idee van een stabiele gulden ronduit belachelijk.
De goudstandaard in Nederland
In de jaren ’30 ging Nederland gebukt onder een hevige depressie. Terwijl Nederland nog een goudstandaard hanteerde liep de werkloosheid op tot bijna 35%, nadat omringende landen massaal de goudstandaard verlaten hadden. Nederland was zelfs voor één dag het enige overgebleven land ter wereld met een goudstandaard. Toenmalig minister-president, Hendrik Colijn, was principieel tegen het verlaten van de goudstandaard en stelde dit gelijk aan “diefstal”. Een dergelijk besluit zou leiden tot een devaluatie van de gulden en noodzakelijkerwijs tot een devaluatie van het spaargeld van crediteuren. Colijn voerde bezuinigingen door om de overheidsfinanciën op orde te krijgen en het land uit de crisis te tillen, maar zwichtte uiteindelijk onder zware druk om de goudstandaard op te geven.
Het vasthouden aan de goudstandaard door Colijn wordt tot op de dag van vandaag nog steeds gezien als een grote fout. Sommige economen trekken de parallel met landen als Griekenland vandaag de dag. Zij zien in de euro, net als in goud, een obstakel voor het herstel van een economie in crisis.
Het grote probleem met dit verhaal is dat er in de jaren ’30 geen sprake was van een goudstandaard, maar van een pseudo-goudstandaard. Dit was een systeem van nationale reserves. De centrale bank houdt een bepaalde ultieme reserve in goud aan, terwijl in het binnenland zaken wordt gedaan in geldsubstituten: bankbiljetten—uitgegeven door de houder van de uiteindelijke reserve, i.e., de centrale bank—of in deposito’s c.q. zichtrekeningen. Dit “gemengde” systeem wordt ook wel de gouden wisselstandaard genoemd.
Het probleem was dat in deze periode de hoeveelheid deposito’s die uitgegeven werden kon groeien, zonder dat deze gedekt werden door daadwerkelijke besparingen. Banken deden aan fractioneel reserve bankieren: tegenover een groot deel aan betaalrekeningen van mensen staan leningen aan bedrijven. Hierdoor kon de krediethoeveelheid, en dus de geldhoeveelheid in brede zin, groeien zonder gedekt te worden door goud—het daadwerkelijke geld dat geldsubstituten als biljetten en deposito’s behoort te dekken. In 1930 werd bijvoorbeeld slechts de helft van de guldens gedekt door goud.
Waarom herstelde de Nederlandse economie niet?
De jaren in aanloop naar 1932 waren hooguit inflationair: Engeland en de Verenigde Staten kenden een periode van ongekende kredietexpansie welke leidde tot een uitstroom van goud. Met de nieuw gecreëerde geldsubstituten werden immers niet alleen binnenlandse maar ook buitenlandse goederen gekocht. Onder de pseudo-goudstandaard kan de nationale geldhoeveelheid (het aantal claims op geld in de vorm van biljetten en munten en het aantal Britse deposito’s) niet ongelimiteerd groeien. Er komt een moment dat deze geldsubstituten in de handen van buitenlanders eindigen, die vervolgens een levering van het goud claimen. Toen de Britten doorhadden dat men de uitstaande verplichtingen nooit zou kunnen voldoen zonder de gehele goudreserve van de centrale bank te verliezen, weigerde men om nog langer claims in te wisselen voor goud en stapte men de facto van de goudstandaard.
Toen in de begin jaren ’30 andere landen massaal van de goudstandaard afstapten, bleef Colijn vasthouden aan goud als geld. Dit resulteerde vervolgens in het feit dat Nederland tot en met 1932 een enorme instroom van goud ondervond—de geldhoeveelheid verdubbelde. In de gouden wisselstandaard leidt een dergelijke instroom van goud echter tot een kredietexpansie, een relatieve verlaging van de rente, prijsstijgingen in kapitaalintensieve markten (waaronder de huizenprijzen), en een toename van de wisselkoers. Consumentenprijzen daalden vooralsnog door de toenemende werkloosheid en het feit dat de import van benodigdheden goedkoper werd.
Eind 1932 eindigde deze instroom abrupt en veranderde deze in een uitstroom, met alle gevolgen van dien. De krediethoeveelheid in de economie (of het aantal geldsubstituten) werd weer samengetrokken door de centrale bank om te kunnen voldoen aan de claims in goud. Een abrupte deflatie was het gevolg en het aantal faillissementen dat resulteerde was enorm. De werkloosheid liep snel op. De investeringen in bedrijven evenals de crisis bereikte een dieptepunt in 1936.
De industrieën die het hardst getroffen werden waren de bouw en de metaalindustrie en in mindere mate de papierindustrie, de textiel- en lederindustrie, transportmiddelenindustrie, de machine-industrie en de landbouw. Het waren juist deze industrieën die het meest expandeerden tijdens de instroom van goud en de daarbij horende expansie van het krediet als gedirigeerd door de centrale bank in de gouden wisselstandaard.
Het feit dat andere landen eerder van de gouden wisselstandaard afstapten verklaart dat het hoogtepunt van de depressie voor deze landen al in 1932 was. De contractie van het krediet in die landen—waaronder de VS en Groot-Brittanië—vond eerder plaats dan in Nederland. De keuze van Colijn om aan de goudstandaard vast te houden was een juiste. De centrale bank had echter met de instroom van het goud uit andere landen de ongekende kredietexpansie moeten belemmeren en beperken.
Een echte goudstandaard zou nooit resulteren in een expansie of contractie van het krediet. Dat is de crux van het verhaal. De Grote Depressie in Nederland is het falen van centraal bankieren, niet van de goudstandaard. De Grote Depressie is een tragedie veroorzaakt door een falend monetair systeem dat onjuist toegeschreven werd en wordt aan goud. Deze episode in de lange geschiedenis van menselijk leed was een product van de gouden wisselstandaard, niet van de goudstandaard.
Vroeger alles beter?
Was vroeger alles beter? Misschien wat geld betreft wel, alleen dan wel toen de gulden nog gedekt werd door goud. Met de kanttekening dat met ‘vroeger’ de periode vóór de gouden wisselstandaard wordt aangeduid. De benaming “gulden” is niet voor niets afgeleid uit het woord “gouden”.
Het enige juiste alternatief voor de euro is de goudstandaard. De gulden met al haar defecten is geen serieus alternatief daar het geenszins de voordelen van beide andere munten overstijgt. De fiatgulden is een artefact uit het recente verleden dat op misplaatste wijze verbonden wordt met het economische ‘feest’ dat ongecontroleerde kredietexpansie heet. Men ziet de oorzaak van alles niet in de periode van hoogconjunctuur, maar enkel in de recessie. De fase van ‘irrational exuberance‘ gedreven door kredietexpansie is echter een feest wat onvermijdelijk tot een voortijdig einde dient te komen. Het heeft geen zin om een comadrinker nog een glas alcohol te schenken.
Met het aanstaande einde van de euro in zijn huidige vorm wordt de weg gebaand voor een alternatief: wordt het wederom een fiatvaluta of goud? Dit is geen vraag over technische haalbaarheid. Zoals Mises ons voorspiegelt: “Every nation, whether rich or poor, powerful or feeble, can at any hour once again adopt the gold standard.” Enkel ideologie en publieke opinie zullen het antwoord op die vraag uiteindelijk bepalen.

Olav Dirkmaat is masterstudent Economie aan de Rey Juan Carlos Universiteit in Madrid. Hij behaalde eerder een master in Marketing aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Beleggen is zijn grote passie.



1 reactie
Dave on 17 augustus 2012 at 10:28.
Olav,
Ik ben zelf een groot voorstander van de goudstandaard, maar je moet je wel beseffen dat politici niet alles kunnen zeggen in een economisch ontvlambare tijd.
Terug naar de gulden betekent voor een goed verstaander terug naar de gouden. Na het uiteenvallen van een munt gaat men immers altijd weer terug naar een gouden standaard.
Schijnelite van de valsemunters = politici die in de zak van bankiers (valsmunters) zitten.
Just my 2 cents..